Op 27 januari 2025 stelde de gemeenteraad het belastingreglement op tweede verblijven vast voor de periode van 2025 tot en met 2031.
Op 25 mei 2025 besloot de gemeenteraad tot verlenging van de interlokale vereniging Woondienst Regio Tielt en keurde daarbij het projectdossier IGS lokaal woonbeleid voor de periode 2026 – 2031 goed.
Binnen het projectdossier werkte de Woondienst een uniform voorstel uit voor dit belastingreglement, met startdatum op 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031.
De gemeente stelt vast dat er binnen haar grondgebied een aantal tweede verblijven aanwezig is. Deze woningen dienen niet als hoofdverblijf, maar zijn wel permanent beschikbaar voor hun eigenaars. Dit impliceert dat deze eigenaars, hoewel zij niet als vaste inwoners in de gemeente staan ingeschreven en geen gemeentelijke personenbelasting betalen, toch regelmatig en substantieel gebruik maken van gemeentelijke infrastructuur en diensten zoals wegen, afvalophaling, openbare veiligheid, water- en energievoorzieningen, en openbare ruimten.
Er bestaat hierdoor een structurele fiscale ongelijkheid tussen de permanente inwoners van de gemeente, die via de personenbelasting bijdragen aan het gemeentelijk budget, en de eigenaren van tweede verblijven, die dit niet doen. Dit verschil rechtvaardigt een specifieke gemeentelijke belasting op tweede verblijven om deze ongelijkheid gedeeltelijk te compenseren.
De situatie van tweede verblijven is immers wezenlijk anders. Zij vormen vaste onroerende goederen die gedurende het gehele jaar beschikbaar zijn en die een meer permanente impact hebben op het gemeentelijk patrimonium, de leefomgeving en de ruimtelijke ordening. Daarnaast zorgen zij voor een duurzame druk op gemeentelijke diensten en infrastructuur, niet te vergelijken met het incidentele bezoek van dagtoeristen of bezoekers. Deze langdurige en substantieel verschillende gebruiks- en impactsgraad vormt een geldige grond voor een fiscale differentiatie tussen tweede verblijven en andere categorieën belastingplichtigen.
Bovendien is het gemeentebestuur van oordeel dat de verschillende kenmerken van tweede verblijven – zoals hun ligging in verschillende bestemmingszones en het bebouwde oppervlak – een rechtvaardiging bieden voor een gedifferentieerd tarief. Deze differentiatie is niet arbitrair, maar sluit aan bij de concrete omstandigheden binnen de gemeente, de mate van belasting op de gemeentelijke voorzieningen en de ruimtelijke impact. Hiermee voldoet het bestuur aan het gelijkheidsbeginsel, door de proportionele afstemming van de belastingdruk op de specifieke situatie van elk tweede verblijf.
Deze belasting beoogt niet alleen een rechtvaardige verdeling van de lasten, maar draagt ook bij aan een bewust beheer van het lokaal patrimonium, met het oog op het vermijden van leegstand, het stimuleren van een kwalitatieve woonomgeving en het bevorderen van een duurzaam lokaal woonbeleid.
De keuze voor deze belasting sluit ook aan bij het bredere lokale beleid waarbij de gemeente inzet op het optimaal gebruik van haar woon- en verblijfsaanbod. Tweede verblijven blijven immers gedurende grote delen van het jaar ongebruikt, terwijl de nood aan betaalbare, permanent bewoonde huisvesting stijgt. Door een financiële prikkel in te bouwen wil de gemeente op termijn een bewuster gebruik van het woningpatrimonium stimuleren, zonder dit bezit op zich te ontmoedigen.
Tot slot zijn er de personenbelasting en de provinciebelasting, waarin alle reguliere woongelegenheden belast zijn op basis van hun permanente bewoning (domicilie). De belasting op tweede verblijven is daarvan duidelijk onderscheiden in doelgroep, finaliteit en tariefstructuur. Deze dubbele belasting vormt dus geen verboden cumul, maar is onderbouwd vanuit twee afzonderlijke beleidsdoelen. De financiële noodzaak van de maatregel vormt daarbij slechts een bijkomende motivering, niet als enige rechtvaardiging van het tariefonderscheid.
Op basis van bovenstaande argumentatie acht de gemeente deze belasting verenigbaar met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, zoals vereist door artikel 172 van de Grondwet en artikel 3 van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, invordering en geschillenprocedure van gemeente- en provinciebelastingen.
Het huidige belastingreglement voorziet in 4 categorieën van tweede verblijven, waarbij het belastingtarief van de eerste 2 categorieën gelijk is. Het voorstel van de woondienst brengt het aantal categorieën terug tot 3 met aangepaste tarieven.
| Huidig: 4 categorieën |
Bedrag |
Nieuw: 3 categorieën |
Bedrag |
| Categorie 1: zone voor verblijfsrecreatie, recreatief wonen of residentieel recreatief wonen |
€ 400 |
Categorie 1: Samenvoeging van categorie 1 en 2 uit het huidig reglement |
€ 600 |
| Categorie 2: andere bestemmingszones met bebouwd grondopp. tem 80 m² |
€ 400 |
||
| Categorie 3: andere bestemmingszones met bebouwd grondopp. Groter dan 80 m² en kleiner dan 150 m² |
€ 700 |
Categorie 2: Idem cat 3 van het huidig belastingreglement |
€ 850 |
| Categorie 4: andere bestemmingszones met bebouwd grondopp. vanaf 150 m² |
€ 1.000 |
Categorie 3: Idem cat 4 van het huidig belastingreglement |
€ 1.250 |
| Indexering van de tarieven |
Neen |
Indexering van de tarieven |
Jaarlijks |
De gemeenteraad kan de belasting op de tweede verblijven opnieuw vaststellen voor de periode 2026 tot en met 2031, mits opheffen van het belastingreglement op tweede verblijven zoals vastgesteld door de raad op 27 januari 2025 met ingang van 1 januari 2026.
Gelet op de financiële toestand van de gemeente.
De te boeken ontvangsten zijn te voorzien in het meerjarenplan 2026-2031.
- het belastingreglement tweede verblijven voor de periode 2026-2031.
Artikel 1
De gemeenteraad heft voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een belasting op tweede verblijven. Het belastingreglement als bijlage maakt integraal deel uit van deze beslissing.
Artikel 2
Deze beslissing heft het belastingreglement op tweede verblijven 2025 tot 2031 op, zoals vastgesteld door de raad in zitting van 27 januari 2025, met ingang van 1 januari 2026.